Impressie - Taxi's in Mongolië

Informeel Ritje
Het is 24 graden onder nul als ik in mijn michelinmannetjes-outfit de trappen afwaggel van mijn flatgebouw in Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië. Eenmaal op straat steek ik mijn hand uit. Een paar Landcruisers rijden voorbij, maar al snel stopt een oude Toyota. De bumper hangt links een beetje naar beneden en er zit een grote barst in de voorruit. Zo smoezelig als de auto er van buiten uitziet, zo keurig is het van binnen. Ik zit op een rode tapijttegel en de geur van een luchtverfrisser met appelgeur prikt in mijn neus. In een automatisme doe ik mijn handschoenen uit en muts af. Maar al snel doe ik ze weer aan: het is ook in de auto nog koud. Ik vertel de chauffeur dat ik naar de Nationale Universiteit wil. Hij zet zijn meter op nul en doet de radio aan. Terwijl de auto in beweging komt, klinken de ijle klanken van een in een modern jasje gestoken traditioneel Mongools lied krakerig door de boxen.
In Mongolië is iedereen taxichauffeur, behalve de welgestelden met hun Landcruisers dan. Als je in Ulaanbaatar een taxi nodig hebt, steek je simpelweg je arm uit. En als er iemand tijd heeft voor een ommetje, neemt hij je mee voor een vast tarief van ongeveer twintig eurocent per kilometer. In de buitenwijken heb je zelfs vaste plekken waar mensen op weg naar hun werk wachten om iemand mee te kunnen nemen. Zo kunnen ze elke dag een beetje bijverdienen bovenop een salaris dat waarschijnlijk niet boven de veertig euro per maand uitkomt.
Buiten deze informele taxi’s zijn er ook nog een groot aantal officiële
taxibedrijven waarvan de auto’s er vaak net zo gehavend uit zien als
de Toyota waarmee ik nu door de stad rijd. Vreemd genoeg is er geen haat en
nijd tussen de bedrijven en de onafankelijke chauffeurs. Sterker nog, voor
korte ritjes verwijzen de officiële taxi’s soms zelfs door naar
de hun informele collega’s. Maar het zijn geen makkelijke tijden voor
iedereen die van de taxiritten moeten leven. De benzineprijzen zijn in een
paar maanden met bijna vijftig procent gestegen. Om zoveel mogelijk rendement
uit de wagen te halen, wordt de auto de gehele dag door verschillende familieleden
in wisseldiensten gebruikt.
Mijn chauffeur kijkt af en toe opzij. Zijn ogen glinsteren. Uiteindelijk
wordt de nieuwsgierigheid hem toch teveel: “Uit Amerik?” “Nee,
Golland”, probeer ik. “Aaah, Cannad”, antwoordt hij begripvol.
Nog een poging: “Nee, Niederland.” “Aaah, Ierland.”
Met een zucht, probeer ik het nog één keer. “Nie-der-land.”
“Aaah, Niederland” zegt hij op een toon van ‘zeg dat dan
meteen’ en haalt ondertussen snel een auto in.
We naderen de plaats van bestemming en ik graai vast in mijn zakken om te
betalen. Met een touwtje op de plek waar ooit een hendel zat, open ik de deur.
Met enige moeite wurm ik mijn michelinmannetjes-lijf uit de auto. “Bayartai”,
zegt de chauffeur nog. “Za, Bayartai. Het ga je goed!”
Guido Verboom
Dit artikel verscheen eerder in Mensenstreken
- Antropologisch tijdschrift


